Achter huisnummer 117 leeft in deze bijzondere tijd een beweegrijke en muzikale familie: vader Jack, moeder Lucy, dochter Lauri, zoon Klaas en hond Zizou. Iedere ruimte van hun kleine huis wordt benut: een WC om brieven te schrijven aan diegene die worden gemist, een postzegeltuin om de lente en de buren te aanschouwen, een woonkamer om te boksen en tafeltennissen. Blaffen mag alleen in de kelderkast. Af en toe roeptoeteren ze een gedicht uit hun slaapkamerraam.